Saturday, January 08, 2005
ZUIVELWINKELS - DAIRY SHOPS
ZUIVELWINKELS OP EEN KLUIT DOOR HET MELKBESLUIT
Van vee- tot melkboer
Door de toename van de forenzen in 't Gooi, nam de beschikbare
landbouwgrond af. De engen rond de dorpen werden het eerst volgebouwd met
villa's en woningen. De boeren konden dus minder gewassen verbouwen voor
zichzelf en het vee. Het vroegere gemengde bedrijf moest worden
opgegeven. Alleen de gemeenschappelijke weiden stonden de erfgooiers nog
ter beschikking. Het schaar koeien per boer, dat geweid mocht worden, was
echter te klein om daarvan als veehouder te leven. De behoefte aan melk
was door de bevolkingsaanwas echter toegenomen. Het gevolg was, dat de
kleine veehouders zich gingen toeleggen op de detail zuivelhandel.
Oorspronkelijk door middel van verkoop vanaf de boerderij aan de directe
omgeving. In de Vesting waren rond 1930 wel zestien veehouders en alleen
de zuivelwinkel van N. Streefkerk in de Marktstraat. Voor de zuivelhandel
was die markt te klein. De woonwijken van Bussum en later de
nieuwbouwwijken van Naarden, werden het werkterrein van de melkventende
vestingboeren. Ook de boeren uit de omliggende dorpen ventten daar. De
onderlinge concurrentie in de melkbezorging was groot. Vooral in de
villawijken was de Modelboerderij Oud-Bussem een geduchte concurrent,
niet met de prijs maar met de kwaliteit. Ds. Drijver maakte in zijn boekje
'Naarden' zelfs reclame voor Oud-Bussem. Hij schreef, dat dankzij de
hygiënische maatregelen aldaar, deze rauwe melk gedronken kon worden
zonder schadelijke gevolgen. De melkprijs vermeldde hij niet, die was vele
malen duurder dan die van de 'scharrel'-boerderijen. De literprijs van
deze modelmelk zou f 0,80 tot f 1.- zijn geweest. In 1934 kostte de melk
voor 'Jan met de Pet' een dubbeltje per liter. (Toen was de minimum
werkeloosheidsuitkering voor een gezin van 4 personen f 15,50 per week).
Het kwaliteitsverschil van de melk werd langzamerhand ingelopen door de
levering via de roomboterfabriek 'Gooiland' aan de Galgesteeg. Ieder
probeerde klanten te werven. In iedere straat kwamen meerdere
melkbezorgers, want van vaste wijken was nog geen sprake. Het was dus een
tijdrovende bezigheid om al die verspreid wonende klanten te bedienen. De
beperkte houdbaarheid van de melk in die tijd leidde er toe, dat ook
zondagsmorgens werd gevent. Dan te bedenken dat vooral door het afrekenen
op zaterdag, het bijna middernacht was wanneer de taak erop zat.
Het melkbesluit
De crisistijd in de jaren dertig maakte de concurrentie moordend. De
overheid kwam met allerlei maatregelen, zoals kwaliteitscontrole tijdens
het bezorgen. Ook de verkoop vanaf de boerderij werd uit hygiënische
gronden aan wettige regels gebonden. In 1933 kwam de overheid met het
zogenaamde melkbesluit. Voortaan mocht vanaf de boerderij slechts 20
liter melk per dag aan de omwonenden verkocht worden. Als deze norm werd
overschreden, was men verplicht een winkel te openen. Dit melkbesluit
betekende voor de Vesting de komst van verschillende nieuwe
melkwinkeltjes naast de reeds bestaande. Sommige zuivelwinkels stonden
vlak naast en bij elkaar. Bijvoorbeeld die van J. Krijnen en W.H. de
Gooijer in de Vitusstraat. 'Om de hoek' lagen letterlijk en figuurlijk
twee soortgelijke winkels. In de Cattenhagestraat die van W. Kos en in de
Pastoorstraat stond met grote letters op de ruit: 'G. v.d. Roest'
(Tot grote hilariteit van de jeugd).
Ten oosten van de Marktstraat had H. den Hartog in de Regenboogstraat het
rijk alleen. Twee van de genoemde winkels hebben het tot nu (1992) toe
overleefd, die van H. den Hartog en van W. de Gooijer jr.
De winkel van mijn vader, H.W. de Gooijer, werd in 1934 ingebouwd in onze
boerderij aan de Bussummerstraat. Een kostbare investering in verhouding
tot de baten. De oorspronkelijke baanderdeuren moesten plaatsmaken voor de
winkelpui. De helft van de daarachter liggende deel werd benut voor de
bouw van het winkeltje met een vloeroppervlak van 10 vierkante meter. De
winkelruimte bestond uit een etalage en een L-vormige toonbank, die
evenals de vloer van graniet was. Bovendien was er een wastafel met kraan.
Waarschijnlijk leken al die nieuwe winkeltjes als druppels water (of melk)
op elkaar. Een grote klandizie zullen ze niet gehad hebben. Zowel binnen
als buiten de Vesting werd melk aan huis bezorgd en andere dan
zuivelproducten werden niet verkocht. Ook de onvermijdelijke
etalage-attributen zullen wel gelijk geweest zijn, zoals de grote
klokvormige glazen houder met eieren en de glazen kaasstolp. Verder was er
een kaasschaaf en een weegschaal. Een kassa hadden we niet. Met Pasen werd
de stenen kip zittend op een dito nest, omringd met nep-kuikentjes, in de
etalage gezet. Ook waren er dan, traditiegetrouw, eigengemaakte
(room)boterlammetjes.
Strooptocht naar duiten
Druk was het dus niet in onze winkel. Ging de winkelbel, dan moest mijn
moeder eerst van 'achteren' komen. Dat duurde wel even, afhankelijk
vanwaar ze moest komen. De klant moest dus even wachten. Winkeldiefstal
kwam, ondanks de armelijke toestanden in de Vesting, weinig voor. De
gelegenheid maakt soms de dief. Een oud mannetje met behoefte aan een
borreltje deed een graai in de geldlade. Daartoe moest hij zich over de
toonbank heen buigen, daarbij werd hij op heterdaad betrapt. Een nare zaak
voor alle betrokkenen. Om dit in de toekomst te vermijden, werd in de
geldlade een bakje stroop geplaatst. Het had een gunstig effect. Slechts
één vrouw waagde op de tast een greep in de la en probeerde na de komst
van mijn moeder te strooplikken. Ondanks de narigheid was eerlijkheid
regel. Met de evacuatie van de Vesting in mei 1940 zette mijn vader zijn
hele voorraad buiten op het erf. De achtergebleven soldaten konden het wel
gebruiken, meende hij. Bij terugkeer bleek maar weinig te ontbreken en
zelfs dat kwamen de klanten eerlijk afrekenen.
Duit in het zakje en de meter
De klant was koning. Op zondag kwam men wel achterom voor zuivelproducten
of een gasmuntje. Vaak ook voor 'plakken' oftewel 'vierduitstukken'. (1)
Deze twee en een halve centstukken, werden gebruikt als 'gasmunt op
afbetaling' (2) of als kerkegeld voor de kinderen. In verband met de
zondagsheiliging werd door sommige klanten op die dag niet betaald. Deze
inconsequente houding beperkte zich niet tot kerkelijke gezindten. Mijn
vader moest bij een 'rooie rakker', een voorvechter van de achturendag,
zondagsmorgens stiekem achterom komen. Aan de deur afleveren kon het
morgenrood op zondag niet verdragen.
Nieuwe orde, lege borden
Na de Duitse bezetting kwamen er steeds meer distributiebonnen om het
schaarse voedsel te verdelen. Als ontspanning moest het kroost van de
winkelier dan 's avonds de ingeleverde bonnen op grote vellen papier
plakken. Op het distributiekantoor werden die dan ingeleverd in ruil voor
een toewijzing ten behoeve van een nieuwe voorraad. Natuurlijk kreeg ook
agrarisch Nederland al vroeg te maken met allerlei nieuwe instellingen en
maatregelen, die ingevoerd werden. Na de oorlog bleven deze
instellingen, zoals het Landbouwschap, gehandhaafd. Ten behoeve van de
bezetter en de voedselvoorziening moesten regelmatig koeien geleverd
worden. Dat slachtvee moest naar het abattoir worden gebracht, soms zelfs
naar Hilversum. Ik zie me nog met zo'n koe lopen, midden op de 'betonweg'
(Lage Naarderweg), met mijn vader op de fiets er achter.
In 1943 kwam de maatregel, waarbij het verboden werd dat één persoon de
twee beroepen veehouder en melkboer uitoefende. Mijn vader moest dus
kiezen tussen de boerderij of de zuivelhandel. Verstandelijk vond hij dat
de zuivelhandel toekomst had en niet de vestingboerderij. Hij had al een
koper gevonden voor zijn vee. Vlak voor de verkoop kon hij 's nachts niet
slapen. Hij kon het niet over zijn boerenhart verkrijgen zijn koeien te
verkopen. De volgende dag heeft hij toen de verkoop afgezegd. De melkwijk
van mijn vader en zus moest worden opgegeven, al dacht iedereen dat het
een bezettingsmaatregel was. Tegen mijn zus zeiden de klanten: "Na de
oorlog kom je maar terug!" De melkwinkel volgens het melkbesluit had toen
negen jaar dienst gedaan, de kosten zijn er nooit uitgekomen.
Noten:
(1) De stuiver van voor 1800 was onderverdeeld in 8 duiten. Het muntje
van een halve stuiver was dus 4 duiten waard en werd een
vierduitstuk genoemd. Na de invoering van het decimale
geldstelsel ging die naam over op het bronzen twee en halve cent
stuk. Tijdens de bezetting kwam er nog een zinken uitvoering van.
(2) In de woningen stonden vroeger munt-gasmeters. Een gasmuntje kostte
in 1933 negen cent en was goed voor 1 kubieke meter gas. Het
vierduitstuk was even groot als een gasmuntje. Het moest alleen
voorzien worden van een uitsparing om in de meter te kunnen. Deze
(geld)noodmunt gaf tijdelijk uitstel van betaling, als de
meteropnemer kwam moesten deze 'nep' gasmunten worden afgerekend.
____________________
DE OMROEPER, JANUARI 1992, JRG. 5, NR. 1. [PAG. 30/34]
F.J.J. de Gooijer